Kreupelheid kan heel veel oorzaken hebben en het is onmogelijk die allemaal te bespreken. Het lijkt me verstandig eerst iets over de achtergrond van kreupelheid te vertellen en in een volgende aflevering een aantal voorbeelden te bespreken.
Wat bedoelen we met kreupelheid?
Tijdens het lopen worden de voor- en achterbenen in een vloeiende beweging naar voren gebracht, belast en weer naar achteren gebracht. Vooral als je een paard in slow-motion video ziet lopen, draven of galopperen valt op hoe gelijkmatig deze bewegingen zijn. Als deze bewegingen worden gehinderd doordat er pijn optreedt of doordat de beweging mechanisch belemmerd wordt zien we een onregelmatige gang. Als het naar voren brengen van een been pijn doet of niet goed lukt (bijvoorbeeld bij een zenuwaandoening) dan treedt er bewegingskreupelheid op. Is het staan op het been pijnlijk dan spreken we van belastingskreupelheid. Dat zien we dus vooral tijdens de belastingsfase van het been: het paard probeert deze fase zo kort mogelijk te laten duren en gaat “vallen” op het gezonde been.
Is het paard bijvoorbeeld linksvoor belastingskreupel en het komt op ons toedraven dan valt het op het rechter been. Het hoofd zakt overdreven naar beneden tijdens het landen op het gezonde, rechter been. Is het paard linksachter kreupel en draaft van ons af dan wordt vaak de linker kruishelft lager gedragen en het paard valt op het rechter been. Is het paard linksvoor bewegingskreupel dan wordt het been niet voldoende naar voren gebracht en kan het zelfs lijken of het paard op dit kreupele been valt. In eerste instantie kan dat dus heel verwarrend zijn.
Het laten lopen op een harde of juist zachte bodem is een goed hulpmiddel om dit uit te zoeken: bewegingskreupelheid zien we beter in een zandbak en belastingskreupelheid op een harde bodem of kleine harde cirkel. Vooral het binnenbeen wordt op de verharde cirkel zwaarder belast en bij belastingskreupelheid zal het paard met het kreupele been binnen dus slechter lopen en met het kreupele been buiten beter. Ook allerlei mengvormen zijn mogelijk en dat kan soms knap lastig zijn.
De spieren, pezen, gewrichten, banden en gewrichtskapsels kunnen door allerlei oorzaken pijn gaan doen. Bekend is de peesblessure na overbelasting waarbij door en te grote kracht op de pees deze gedeeltelijk of helemaal scheurt. Pezen zijn net als touw of kabels opgebouwd uit vele kleine vezeltjes. Bij een te grote belasting rekken deze vezeltjes uit.
Het lichaam reageert met een ontstekingsreactie waarbij vocht (zwelling) en warmte ontstaat. Is de overbelasting nog groter dan knappen er vezels. In sommige pezen is zo’n beschadiging heel vervelend omdat er snel kreupelheid ontstaat, in andere pezen kan er al een flinke beschadiging zijn opgetreden voordat dit echt pijn gaat doen en het paard dat laat zien door kreupel te gaan lopen.
Voor spieren geldt in zekere zin hetzelfde. Ook deze kunnen stijf worden of zelfs scheuren. Ook kan door verzuring een groot aantal spieren pijnlijk worden (tying-up of maandagziekte). Spieren kunnen ook pijnlijk worden bij een scheve belasting van de rug of het bekken. Een paard met bijvoorbeeld vage klachten uit de hoefkatrol zal langdurig scheef lopen en zijn spieren verkeerd belasten. Pijn in de schouder of de rug kan dan heel goed het gevolg zijn.
Gewrichten zijn lange tijd wat te veel in de belangstelling geweest omdat die met een röntgenfoto tamelijk eenvoudig te controleren zijn. De hoefkatrol, de kogelkatrol, spat en ocd zijn voorbeelden van regelmatig voorkomende aandoeningen. Echter ook bij een gewricht dat op de foto normaal lijkt kan door afwijkend kraakbeen of een pijnlijk kapsel pijn optreden.
Het kraakbeen vormt een elastische, schokdempende binnenbekleding van het gewricht. Het kapsel zorgt aan de binnenkant voor de aanmaak van smeervloestof (synovia) en aan de buitenkant samen met de banden voor stevigheid van het gewricht. Al deze structuren zijn zichtbaar te maken maar minder makkelijk dan het bot zelf. Door de komst van de digitale röntgenfoto is het gewricht beter in beeld te brengen en door de nieuwere echotechnieken zijn de pezen, banden en kapsels goed zichtbaar te maken.
Vrij nieuw in de diergeneeskunde is de MRI-scan waarbij de weke delen (alles aan het lichaam anders dan bot) zoals pezen en kapsels erg mooi in beeld te brengen zijn. Deze onderzoeken zijn kostbaar omdat de apparatuur erg kostbaar is maar soms kan er alleen met MRI een exacte diagnose gesteld worden.
Ook kostbaar is de scintigrafie. Hierbij wordt er radioactief materiaal in het paard gespoten en wordt er met een scanner gezocht naar plaatsen waar dit materiaal zich overdreven sterk ophoopt. Dat zijn vaak de plekken waar het niet klopt: er is een ontsteking of een beschadiging aanwezig. Deze techniek is vooral handig op plaatsen waar moeilijk foto’s of echo’s gemaakt kunnen worden of waar het niet lukt om de pijn te lokaliseren.
Een paard dat acuut op drie benen staat kan een hoefzweer hebben maar ook een breuk in bijvoorbeeld het hoefbeen, het kroonbeen of het kootbeen. Paarden met pijn aan een gewrichtskapsel of een scheurtje in het kraakbeen kunnen vage kreupelheid vertonen.
oals eerder gezegd is er niets vaags aan een paard dat op drie benen staat door een hoefzweer. Maar een nagel die niet in het leven zit maar er net tegen aan kan in plaats van een heftige een vage kreupelheid geven. Zit de nagel in het leven dan openbaart zich het acuut kreupele paard omdat er een forse onsteking en vaak ook infectie in de voet optreedt.
Ook kunnen bij paarden met dunne zolen kneuzingen onder de zool optreden. Als deze niet infecteren zijn ze lastig vast te stellen omdat er geen zwelling en warmte ontstaat maar wel pijn. Door het verdoven van de ondervoet verdwijnt de kreupelheid (grotendeels) maar dat gebeurt ook bij een paard met hoefkatrolontsteking.
Een goed moment om stil te staan bij het veel besproken fenomeen van de hoefkatrol. Hoefkatrol en hoefkatrolontsteking worden door elkaar gebruikt maar ieder paard heeft een hoefkatrol en pas als daar dingen fout gaan ontstaat er een ontsteking. Onder ontsteking verstaan we hier een reactie van het lichaam op een aandoening in de hoefkatrol. Ontsteking is absoluut niet hetzelfde als infectie. Bij infectie spelen bacteriën een rol en dan is er meestal een verbinding naar buiten bijvoorbeeld door een wond of doordat er iets naar binnen is gedrongen (iets scherps of een ontspoorde hoefnagel). De hoefkatrol bestaat uit een botje dat tussen de buigpees en het hoefbeen ligt. Dit botje maakt de kracht van de buigpees op het hoefbeen kleiner, het werkt dus echt als een katrol. Het botje is bekleed met kraakbeen waardoor de buigpees er soepel overheen kan glijden. De hoefkatrol bestaat ook uit een aantal bandjes waarmee het botje vast zit. Soms ontstaan er problemen in het bot van de hoefkatrol en dat is zichtbaar op een röntgenfoto.
Veel vaker zitten de problemen niet alleen in het bot maar ook in de diepe buigpees en de ophangbandjes. Soms is dat op de foto te zien maar niet altijd. Met een MRI zijn ook de pezen en de bandjes zichtbaar te maken maar dit is een kostbaar onderzoek (€500 tot 1000). Problemen in de hoefkatrol openbaren zich meestal sluipend: het paard werkt niet graag, is wat stijf, gaat scheef lopen of krijgt onverklaarbare spierpijn, wordt zuur qua karakter of weigert zelfs het werk. In een later stadium ontstaat er echte kreupelheid. Door het verdoven van bepaalde zenuwen in de voet kan de dierenarts de plaats van de pijn bepalen: zit de oorzaak in het verdoofde gebied dan gaat het paard anders (vaak beter) lopen.
Het verdoven doen we van onderen naar boven want als je bovenaan zou beginnen dan is direct het hele gebied daaronder verdoofd omdat de zenuwen van boven naar beneden lopen.
Ook het hoefgewricht kan aanleiding geven tot vage kreupelheidsklachten. Bekend is de overhoef waarbij er nieuw bot wordt gevormd en het gewricht onregelmatig van vorm wordt. Dit zien we regelmatig bij het Friese paard, niet alleen in het hoefgewricht maar ook in het kroongewricht (hoge overhoef). Ook het afbreken van de aanhechting van de strekpees op het hoefbeen leidt tot een wisselende, niet altijd duidelijke kreupelheid. Gelukkig is deze aandoening met röntgenonderzoek eenvoudig vast te stellen.
Bij hoefbevangenheid ontstaat er een vochtophoping tussen de lederhuid en de harde hoornschoen. In het acute stadium zijn de paarden ernstig kreupel en dat moet behandeld worden als een spoedgeval: ieder uur telt! In het chronische stadium kunnen vage klachten optreden.
Door de vrij specifieke wijze van lopen in kombinatie met het röntgenonderzoek kan hoefbevangenheid meestal vrij zeker aangetoond worden. In de meeste gevallen kantelt het hoefbeen of zakt binnen de hoornschoen. Deze laatste vorm kan lastig te diagnostiseren zijn en heeft matige vooruitzichten op herstel.
Ook beschadigingen van de buigpezen kunnen leiden tot vage kreupelheden. Bekend is de peesklap waarbij er acuut kreupelheid met een verdikte, warme pees ontstaat. Hierbij scheuren er vezels in de pees of zelfs de hele pees. Is het beschadigde deel in de pees klein dan kan dat makkelijk over het hoofd worden gezien en toch tot vage kreupelheden leiden. Deze beschadigde plekken zijn zichtbaar te maken met echografie.
Bekend of eigenlijk berucht zijn de beschadigingen in het check-ligament, een onderdeel van de buigpezen, waar regelmatig problemen optreden. Het checkligament loopt van de achterkant van de voorknie naar onderen en de meeste problemen doen zich voor in of net onder de voorknie. Vaak is daar wat zwelling of warmte te voelen maar soms is het alleen met echografisch onderzoek vast te stellen.
Problemen in de voorknie zelf vinden we meer bij dravers en renpaarden dan bij de andere rassen en geven vaak duidelijke kreupelheid. De elleboog kent in verhouding weinig problemen maar de schouder daarintegen weer wel. Bij jonge paarden komt ocd voor in het schoudergewricht, bij oudere paarden speelt de slijmbeurs voor op de schouder nog wel eens op. Ook de pees waarmee het voorbeen naar voren wordt gebracht kan beschadigd raken. Dat geeft meestal bewegingskreupelheid. Aandoeningen in het schoudergewricht zelf komen weinig voor maar worden misschien ook onvoldoende gediagnostiseerd omdat het lastig is de schouder bij een zwaar paard goed in beeld te brengen.
Kreupelheden uit de hals, de rug of de achterbenen kunnen net zo vaag en onduidelijk zijn als de eerder besproken kreupelheden. Vaak zijn ze nog lastiger omdat de verschijnselen in het begin soms helemaal niet op kreupelheid lijken. Stijfheid, verzet, weinig werklust, lastig in de mond, niet links of rechtsom willen gaan, het kunnen allemaal uitingen zijn van problemen in hals rug en achterhand.
In de hals kan pijn of stijfheid ontstaan in de wervels, de spieren en de nekband. Pijn in de spieren is vaak van voorbijgaande aard maar problemen in de wervels kunnen van langdurige aard of zelfs blijvend zijn. Jonge paarden, hengsten vaker dan merries, kunnen bij vechten of spelen de wervels beschadigen waardoor ataxie optreedt. Er ontstaat druk op het ruggemerg met pijn en soms verlammingsverschijnselen als gevolg.
Soms zijn wervels ten op zichte van elkaar verschoven, soms is er op de röntgenfoto’s niets te zien. Ook komt in de hals ocd voor waardoor de wervels niet soepel kunnen bewegen en er pijn of druk op zenuwen op kan treden.
Breuken in de wervels zijn zeldzamer en kunnen zich op allerlei manieren uiten, van alleen een iets stijve hals tot totale verlamming. Spierpijn in de hals komt regelmatig voor maar gaat dan meestal gepaard met spierpijn in andere delen van het bewegingsapparaat. Belangrijk is het dan om de oorzaak op te sporen omdat deze spierpijn altijd het gevolg is van een andere oorzaak zoals kreupelheid elders, een rijtechnisch probleem of een onjuist gedoseerde hoeveelheid arbeid.
Ook de rug is een lastig gebied voor onderzoek. Röntgenonderzoek is tegenwoordig eenvoudiger uit te voeren dan vroeger omdat de digitale techniek een mooiere, beter beoordeelbare foto oplevert. Te veel aandacht wordt er besteedt aan zogenaamde kissing spines. Dat zijn de bovenste uitsteeksels van de wervels die soms zo dicht tegen elkaar aanliggen dat er reactie en ontsteking tussen het uitsteeksel van de ene wervel en die van de andere wervel ontstaat. Dat is op een röntgenfoto te zien maar we vinden ook afwijkende beelden bij paarden die daar helemaal geen last van hebben. Het is dus niet duidelijk in hoeverre kissing spines wel echt het probleem veroorzaken. De bespiering van de rug speelt een belangrijker rol dan eventuele kissing spines. Ook pijn tussen de wervellichamen (hernia-achtige klachten) komt bij paarden voor maar is moeilijk vast te stellen. Dat geldt voor de mens, laat staan voor het paard dat niet kan praten en waarbij de spieren zo omvangrijk zijn dat dieper gelegen pijnlijke plekken moeilijk zijn op te sporen. De oorzaak van rugpijn kan zo divers zijn dat soms een intensieve samenwerking tussen dierenarts, fysiotherapeut, zadelmaker en trainer nodig is om het probleem op te kunnen lossen. Rugpijn leidt in eerste instantie niet tot kreupelheid maar eerder tot verzet, minder werklust, niet links of juist rechtsom willen of kunnen of een afgenomen uithoudingsvermogen.
Problemen in het bekken kunnen wel tot echte kreupelheid leiden. Dat is dan vaak een bewegingskreupelheid, dat wil zeggen dat het been aan de kant met de problemen minder goed ondergebracht wordt. Als de problemen lang bestaan is er vaak een afgenomen bespiering van kruis en bekken te zien aan de aangetaste kant. Soms wordt het bekken ook echt scheef gedragen waarbij de heup aan de aangetaste kant lager ligt. Het bekken is bij het staande dier maar zeer ten dele met röntgenfoto’s in beeld te brengen. Vaak is onderzoek onder algehele narcose nodig. Met behulp van echografie kunnen de spieren en de oppervlakkige belijning van het heupgewricht bekeken worden. Afwijkingen dieper in het gewricht kunnen met echo niet vastgesteld worden.
In het bovenbeen zijn het meestal de spieren die tot problemen kunnen leiden. Blessures op die plaats kunnen onduidelijk en hardnekkig zijn. Iets lager ligt de knie die zich goed laat onderzoeken. Toch kunnen aandoeningen van de kruisbanden en de meniscus soms moelijk vast gesteld worden. Met de röntgenfoto krijgen we soms een aanwijzing voor deze problemen maar een echo of zelfs arthroscopie (in het gewricht kijken) is nodig voor absolute zekerheid. De behandeling is lastig en vaak valt het resultaat tegen. Nog verder naar onderen komen we de sprong tegen waar onder andere spat voor kan komen. Spat kan al op jonge leeftijd optreden maar we zien het vaker bij oudere paarden en bij pony’s. Bij spat is het bot in de gewrichtspleten aangetast. Bolspat is een oude term voor OC en OCD waarbij de vorming van kraakbeen en het onderliggende bot op jonge leeftijd niet goed is verlopen.
Verder naar onderen kunnen dezelfde aandoeningen voorkomen als in het voorbeen maar problemen in de hoefkatrol zijn achter zeldzaam en problemen in de kogelkatrol (sesambeentjes en kootgewricht) juist weer niet. Beschadiging van de sesambeentjes in het achterbeen komt bij de Fries regelmatig voor. Waarschijnlijk is dat het gevolg van een minder sterke kogelkatrol in kombinatie met overgewicht. Ook aandoeningen van de buigpezen komen regelmatig voor en worden nog al eens over het hoofd gezien als de beschadiging gering is. Het zal duidelijk zijn dat een exacte diagnose van de kreupelheid soms zeer lastig is te stellen.
Bron:
S. Boerma
Paardenkliniek Garijp

